“De winter is ingetreden. Mijn romantische allesbrander dampt en geurt als was ik in Berlijn woonachtig, als welhaast een poeplucht moet ik omschrijven de geur van de afgeknepen smeulende briket, het zogenaamde bruinkool. Een zeer socialistische wijze van de winter doorkomen, overal rook van de zuinige stoker, je zult je verbazen hoeveel rook en stank zo weinig warmte nog kan geven. Ik draag er dan ook zorg voor dat het hier altijd fors tocht. De constante aanvoer van verse koude lucht moet voorkomen dat mijn leven eindigt als vierregelig bericht in de verkeerde courant, als zijnde vredig gestorven in halfslaap ingevolge koolmonoxidevergiftiging, dankzij de tocht kom ik met een permanente hoofdpijn en verkoudheid weg. Ik haal Boodschappen in huis; op een streng dieet van rode wijn en aspirine wil ik leven.”

Fragment uit Mijn Leven als Museum, 1993