24 juni 2009
Het grappigste en donkerste boek dat ik onlangs las heet De Gastspeler. De schrijver heet F. Starik. Starik kende ik tot voor kort als demon met geitensik die op literaire avondjes met doorrookte maar zangerige baritonstem woorden als ‘Simpele ziel’ uitsprak. De Gastspeler is een grimmig en humoristisch verslag over nietsdoen in de Staatsliedenbuurt, maar gaat eigenlijk over heel het leven. En De Gouden Kooi. Het is een eigentijdse en kleinschalige variant op Reis naar het einde van de nacht van Céline, maar dan veel zorgvuldiger – en dus veel beter leesbaar. Een van de mooiste passages is deze:
“Daarop volgt de keurslager, Jan Voet. Ik weet niet waar hij zijn keurmerk aan verdient. De winkel is brandschoon, dat moet gezegd, zo schoon dat ook het vlees naar schoonmaakmiddel smaakt, wat misschien goed is: naar mijn indruk verkoopt hij uitsluitend vlees van uit het raam gevallen doodzieke varkens en dode, kreupele, stokoude koeien die uit een sloot werden getakeld, waarop eigenlijk een sticker had moeten zitten ‘niet geschikt voor consumptie’. Kan ook niet anders, voor die prijs.
Een duister café waar ik nooit naar binnen ben gestapt. Door de ramen kun je niet zien of er iemand binnen zit. Door de ramen zie je niks, nu ja, niks: groezelige vitrages. Soms komt er een oudere Surinamer naar buiten wankelen. Misschien dat de drank er gratis is. Pas toen het roken werd verboden, maakte de cliëntèle zich aan de buurt bekend.”
Lees meer »