starik

Just another WordPress weblog
  • Thuis
  • Stadsdichter
  • Log
  • Pers
    • Een steek diep
    • De Gastspeler
    • Victoria
    • Songloed
    • Simpele Ziel
  • Agenda
  • starik video's
  • Dieper
  • BIO
  • Contact

Dagboek stadsdichter I

Dagboek stadsdichter I

20 mei 2010. Het moet toch al een paar maanden geleden zijn dat me voorzichtig werd verzocht om eens te denken aan het stadsdichterschap van Amsterdam. Er had een kleine bijeenkomst plaatsgevonden. Mustafa Stitou, inmiddels mijn voorganger, Maarten Moll, (Het Parool) Daphne de Heer, (SLAA) iemand van stadsdeel Centrum (ik ken die mensen niet) en Jasper Henderson, mijn voormalige redacteur bij uitgeverij Nw A’dam, door de SLAA weer ingehuurd om de komende stadsdichter te begeleiden, nu het Weerwoordfestival, dat sinds Adriaan Jaeggi deze functie in het leven riep, de organisatie van het stadsdichterschap begeleidde, uit Amsterdam vertrokken was en stadsdeel Centrum te kennen had gegeven, er toch graag mee door te willen gaan en de SLAA had ingestemd met het verzoek om dit te begeleiden. Deze mensen waren nu bij elkaar gekomen en dat leidde tot het noemen van namen. En daarbij was mijn naam gevallen.

Ik schrok er wel een beetje van. Het stadsdichterschap van Mustafa Stitou was tamelijk onopvallend verlopen, dat van zijn voorganger Robert Anker was, om het zacht uit te drukken, koel ontvangen, waar de bejegening die Adriaan Jaeggi ten deel viel in de dichterswereld ronduit vijandig was te noemen, vergelijkbaar met de ontvangst die Driek van Wissen als Dichter des Vaderlands stond te wachten. De Amsterdamse stadsdichter was immers geen echte Stadsdichter, doch slechts een stadsdééldichter, werd men niet moe te benadrukken, benoemd door deelraad Centrum. En dat Jaeggi, die de kwestie had aangezwengeld, vervolgens zelf door het stadsdeel werd uitgenodigd om die functie invulling te geven, die uitnodiging aannam, daar deugde al helemaal niets van: er had tenminste een (internet-)verkiezing moeten worden gehouden, meenden de belangrijkste internetsites in de poëziewereld van dat moment: De Contrabas en Rottend Staal, altijd uiterst alert op vermeende misstanden in de poëziewereld. Men pakte flink uit.

Voor de buitenwereld stormpjes in borrelglaasjes water, voor de betrokkenen bepaald niet leuk, de langdurig aanhoudende stroom van negatieve berichtgeving. Daarbij leek dat hele stadsdichterschap het organiserende Weerwoordfestival niet hogelijk te interesseren – na de avond waarop de stadsdichters die Jaeggi opvolgden tijdens Het Gedichtenbal werden geïntroduceerd, bleef het voornamelijk stil. Bovendien gold hun benoeming slechts voor de periode van één jaar, wat rijkelijk kort is, voor je het in de gaten hebt, is het alweer voorbij en weer iemand anders.

Mijn eerste reactie was dan ook gereserveerd te noemen, uiterst gereserveerd. Maar deze keer, bezwoer Jasper Henderson, zou alles heel anders worden. Nu de SLAA zich erachter had geschaard, Het Parool zich als ‘mediapartner’ aan het geheel gebonden had, er zelfs een bescheiden activiteitenbudget voor was vrijgemaakt, nu lag de weg vrij om er ‘Echt Iets Van Te Maken’, werd hij niet moe te benadrukken. En als ik één jaar te kort vond, dan moesten we maar voor een periode van twee jaar in zee gaan. Even later stapte Cohen op, als burgemeester van Amsterdam. En begon het te kriebelen. Ja, daar wist ik wel een gedicht bij. In eerste instantie schreef ik dit:

Lange donkere regenjas

Zeven plagen, negen jaren – de stad moest op de schop.

Er werd een bodemloze put geboord, musea verbouwd

lees: gesloten. Arme Job.

Aan Multicultureel werd Drama toegevoegd.

Er werd een man om zijn mening vermoord, een zee van

verontwaardiging klotste tegen de dijken: kopje thee?

De boel dan maar een beetje bij elkaar proberen te houden.

Brave Job. En was dat nog niet genoeg: hij duwt met rechte rug

een rolstoel voort. Plagen, jaren, put of schop:

de bede werd verhoord.

Teflon Job.

Dunne bomen vangen weinig wind,

hoe hoog ze ook ten hemel reiken. 

Je hebt hem eens op een avond mooi herfstig

onder een dreigende lucht de gracht zien lopen,

helemaal alleen, een denker, stille Job.

Je kon hem bijna horen zuchten.

Een lange stroeve regenjas.

De smalle mond, de droeve vissenogen.

Er geen beveiliging omheen.

Gezalfde, Job.

Iemand om in te geloven.

Op 20 mei 2010 werd de benoeming dan eindelijk bekendgemaakt. Het afscheid van Cohen was al lang geen nieuws meer, het ging nu eer om de vraag of hij wel de beoogde premier was die we allemaal even in hem zagen: in een paar weken tijd verdampte de euforie van Yes We Cohen! in No We Cohen’t! Inmiddels had ik een ander gedicht geschreven, dat de krant wel wilde afdrukken. ‘Stadsdichter met wilde plannen’ kopte Het Parool prominent op de voorpagina, foto, interview, waarin naar het Ballonbardement verwezen wordt, met de verwijzing in het gedicht erbij.

TOT ZIENS

Op 30 april 1980 kwam ik aan in Amsterdam

en wierp meteen de eerste steen, later die avond

at ik mijn eerste broodje shoarma met verschrikkelijk

veel vlees en knoflooksaus en modderige handen.

Ik hoefde nergens heen. Ik zou nooit meer ergens anders

landen – vond hier een huis, studeerde en studeerde niet,

had er lief en ging ook weer verloren: mijn eerste zoon

werd hier geboren, ik ruilde mijn typemachine in voor

een computer, mijn woordenboek voor internet, Polak

voor Van Thijn en die weer voor Schelto Patijn en dan Cohen.

Iedereen vertrekt een keer. Een paar burgemeesters nog

dan ga ik ook. Ik kom er heus wel overheen, de eerste burgemeester

die mijn gore hand wou schudden omdat ik zo fatsoenlijk

en belangrijk geworden ben: in winkels noemt men mij meneer.

Dat interview paste niet helemaal op de voorpagina. Lees verder op pagina 26. Volkskrant, Trouw, AD brachten het nieuws op de pagina Binnenland. Die dag bel ik mijn mobiel volledig leeg. Felicitaties, interviews, een radioverslaggever komt langs, later die dag mag ik bij Radio Noord-Holland ‘de file-plaat’ aankondigen, dat doen ze iedere dag met iemand die in het nieuws is. Ik mag kiezen uit drie platen: iets van Dire Straits, van Jan Smit, en nog iets verschrikkelijks. Zelfs de televisie belt, of ik niet in een nieuw programma wil, als gast van Marc-Marie Huijbregts, een pilot-opname van wat een nieuwe serie moet worden. Er zouden in de studio vier kamertjes staan opgesteld, en in een van die kamertjes zit jij, en dan gaat de deur open, en dan komt Marc-Marie plotseling binnen. En dan beginnen jullie volledig onvoorbereid door elkaar heen te kakelen. Tuurlijk zeg ik, in de euforie van het moment, de dag dat ik begreep waarom sommige mensen niet alleen hun mobiel, maar ook hun oplader bij zich hebben. In het programma moet de nadruk dan toch op de eenzame uitvaart komen te liggen, vindt de redacteur, dat is interessant, interessanter dan dat je de nieuwe stadsdichter van Amsterdam bent: het is een landelijk programma, benadrukt hij.

Ik mag bidden dat het nooit wordt uitgezonden. Het was verschrikkelijk. Er was overeengekomen dat ik een gedicht zou voorlezen, zoals uitgesproken op een eenzame uitvaart, dan kwamen we vanzelf in gesprek over de functionaliteit van poëzie. En als Huijbregts mijn kamer had verlaten, mocht ik er nog een voorlezen. Dan had ik toch maar mooi twee gedichten van minimaal anderhalve minuut in een tijdslot van zeven, acht minuten. Dan zou ik me ook wel door het gesprekje slaan. Mislukte het gesprek, had je nog altijd die gedichten over. In de auto van een medewerker aan dit nieuwe praatprogramma, op weg naar de studio, begreep ik dat ik een vergissing had gemaakt. Ik vroeg mijn chauffeur of ik het draaiboek, dat op de achterbank slingerde, in mocht zien. Dat mocht. De andere gasten waren Adam en Eva, twee mensen die in een processie als Adam en Eva ‘verkleed’ optraden, alles in het nette natuurlijk, een meneer die met een hamer van twee kilo in de uitzending een kokosnoot kapotsloeg, en daarna nog eens, maar nu met een hamer van vijf kilo, een meisje dat aan kickboksen deed en van plan was wereldkampioen te worden, een meisje dat bovendien graag wou vertellen dat ze dat boek van Maria Mosterd zo goed vond, omdat ze zelf ook zulke erge dingen had meegemaakt, er was de mevrouw die driehonderd zieke cavia’s bezat, waarvan ze er een paar had meegebracht. En die waren er nog goed aan toe, vergeleken met de rest. En dan die malle dichter dus, dat was ik. ‘Jezus wat een freakshow,’ mompelde ik geschrokken.

Voorafgaande aan de eigenlijke uitzending werd er een kort introductiefilmpje van de gasten opgenomen, waarin je je moest zeggen wie je bent en waarom hier. Dus ik sprak mijn naam uit en zei dat ik een dichter was en hier omdat ik door de redactie was gebeld en televisie, dat weiger je niet, zo is mij geleerd. Het moest over, want ik mocht niet zeggen dat ik hier was omdat de redactie me belde. ‘Sorry, maar dit moet ik zeggen,’ hield ik vol. ‘Ik vind het erg belangrijk dat de kijker weet, dat ik niet vrijwillig ben gekomen. Ik ben hier omdat dat is gevraagd.’ We deden het voor de vorm nog twee keer over maar ik bleef hardnekkig hetzelfde zeggen. Ze gaven het op.

Eindelijk begon het. De ster was gearriveerd. De gasten verstopten zich in hun kamertjes, Huijbregts legde het publiek uit wat dit voor een programma zou worden, de introductiefilmpjes van de gasten werden vertoond, en het was niet gelukt eruit te knippen dat ik was gebeld. Ik stond alvast met 1-0 voor, vond ik. Toen het mijn beurt was geworden gaf de regisseur ter velde mij het teken dat ik moest beginnen mijn gedicht voor te lezen, terwijl Huijbregts nog volop met met co-host Joost Karhof in gesprek was. Ik aarzelde. Ik heb namelijk ook geleerd dat het onbeleefd is om door anderen heen te praten, maar steeds driftiger gebaarde de regisseur: ‘Nu! Nu!’ siste hij. Zo zacht mogelijk begon ik dan maar, om de anderen niet te storen, mijn gedicht voor te dragen, vol schaamte over mijn afgedwongen onbeschaamdheid – Ze praatten in de studio gewoon door. Heel langzaam werd het volume opgedraaid, tot een van beide presentatoren opmerkte dat er iets tussen het gesprek door klonk, dat zal dan het volgende kamertje wel wezen. Nu klonk, ik was inmiddels bij de derde strofe, mijn gedicht voluit door de studio en ging de deur van mijn kamertje open. Huijbregts stapte binnen. Hij knikte me toe, ik knikte terug, onderdrukte de impuls mijn gedicht te onderbreken om mijn gast te begroeten, ging stug door de rest van mijn vers te declameren, terwijl de presentator nu heel dicht bij mij stond. Ik voelde me belachelijk.

Hij ook. Er volgde een kunstmatig, door de situatie afgedwongen gesprekje, dat goddank eindigde toen Karhof de deur opnieuw opende en sprak: ‘We moeten er een eind aan maken.’ Ik barstte in een zenuwachtig lachen uit, nam hikkend afscheid van mijn gast en vergat volkomen dat ik nog een gedicht moest voorlezen, terwijl de presentatoren druk pratend het jongste bezoek evalueerden: ‘Nou, ik vind dat wel goed hoor, als van ons belastinggeld ook eens iets moois gedaan wordt,’ betoogde Hujbregts, terwijl de regisseur woest gebaarde dat ik er opnieuw doorheen moest gaan praten – dat andere gedicht! Dat moet je ook nog voordragen! Ik maakte een wanhopig gebaar. En begon toch, zo mogelijk nog zachter sprekend dan de eerste keer, ondertussen trachtend het gesprek op te vangen dat door de heren werd gevoerd. ‘Hé,’ merkte Marc- Marie na geruime tijd op, ‘daar heb je hem weer, de dichter, hoor je wel? Gaat hij nou nòg een gedicht voorlezen?’ vroeg hij zich hardop af. Sorry zeg. Er werd een halve strofe van beluisterd, daarna werd het geluid abrupt weggedraaid. Volgende gast graag. De regisseur gebaarde dat ik het gedicht verder niet af hoefde te maken. Ik hoefde alleen nog maar te wachten tot men om de laatste gast was uitgelachen, dat was de mevrouw met de cavia’s, die ook haar dochter nog had meegenomen, die graag een lied wilde zingen, want daar was een cd van gemaakt om de cavia’s te steunen, maar daar waren er nog net te weinig van gekocht. ‘Hoeveel dan,’ wilde Huijbregts weten. ‘Nou, misschien honderd,’ probeerde moeder. ‘En hoeveel zijn er van gemaakt?’ Aj. Moeder barstte uit in een tirade dat ze er zeker twaalfduizend eigen geld in hadden zitten, want niemand wou dat plaatje draaien, als je er niet voor betaalde om het ding gedraaid te krijgen.

Tenslotte mocht een mevrouw uit het publiek over haar ziekte vertellen.

Reed er een taxi voor, mocht ik weer naar huis. Iemand van de productie vroeg me op de valreep nog hoe ik het had gevonden. ‘Afschuwelijk,’ antwoordde ik naar waarheid. ‘Ik heb dat nooit geleerd. Dwars door mensen heen gaan praten. Ik vind dat ook niet prettig. Onbeleefd.’ ‘Nou, je deed het toch heel goed hoor,’ sprak het productiemeisje bemoedigend. Een week lang aarzelde ik of ik hier niet iets aan moest doen: die redacteur opbellen met de eis dat het programma Nooit Zou Worden Uitgezonden, of tenminste niet met mij erin, dat onderdeel was binnen de context van het programma immers grondig mislukt, later troostte ik me met de gedachte dat ze het zelf ook wel mislukt zouden vinden. ‘Het zal vast nooit worden uitgezonden,’ hield ik me voor. Laat maar, en vergat de kwestie verder.

*

One Response to “Dagboek stadsdichter I”

  1. bernd ebbo visser zegt:
    juni 11, 2010 om 8:46 pm

    Ja man. Televisie is verschrikkelijk. Zo zat ik ooit in een aflevering van GTST. Als kelner. Nou, dat was het niet. De gordijnen kwamen naar beneden. Ik liep steevast door het beeld, en knoeide wijn naar alle kanten. De glazen bleven leeg. Hoe ik daar terecht kwam, weet ik niet meer, maar ik ging weg met draak van een migraineaanval.

Leave a Reply

Klik hier om je antwoord te annuleren.

  • werd zomaar met een of andere erepenning van de stad onderscheiden en liet die voor het gemak in de taxi terug naar huis liggen. 'Er zal vast iemand anders blij mee zijn,' veronderstelt Rubberboom.Likes: 32Comments: 6
  • Laatste

    • DAGBOEK STADSDICHTER (SLOT)
    • EENZAME UITVAART NUMMER 139
    • DAGBOEK STADSDICHTER IIX
    • VIER STERREN WAAR HET ER VIJF HADDEN KUNNEN ZIJN
    • DAGBOEK STADSDICHTER VII
  • Starik Video’s

  • Archief

  • Meta

    • Inloggen
    • Berichten RSS
    • Reacties RSS
    • WordPress.org

  • Thuis
  • Stadsdichter
  • Log
  • Pers
    • Een steek diep
    • De Gastspeler
    • Victoria
    • Songloed
    • Simpele Ziel
  • Agenda
  • starik video's
  • Dieper
  • BIO
  • Contact