DAGBOEK STADSDICHTER II
We waren gebleven op zaterdag, 22 mei, die zondag werd ik als kersvers benoemde stadsdichter bij de Open Ateliers Jordaan verwacht, om in drie verschillende ateliers een kwartier lang gedichten voor te lezen. Eigenlijk moest ik daarachteraan nog in Ruigoord voorlezen, bij het Vurige Tongen-festival, maar ik verzuimde: goddank. Hoorde achteraf dat het programma-onderdeel waaraan ik moest deelnemen niet als beloofd om 21.30 uur aanving, maar eerst tegen middernacht eindelijk begon. Dat houdt een mens niet vol. Die maandag moest ik een stuk van minimaal duizend woorden voor het NRC schrijven, over het aanstaande WK-voetbal. Maar het mochten er ook tweeduizend worden. Het werden er zeventienhonderd, en dat moest toch weer teruggebracht tot twaalfhonderd. Zeg dat dan meteen. De dinsdag was gereserveerd voor een verkiezingsgedicht dat NRC-Next van vier ‘jonge dichters’ wilde hebben, en een van die jonge dichters was ik. De woensdag vergaderde ik met het Bestuur van Stichting de Eenzame Uitvaart, waarvan de terugtredende secretaris jarenlang bij het 4 & 5 mei-comité werkte, die me de contouren van een gedicht influisterde, uitermate geschikt om bij de volgende dodenherdenking op de Dam voor te dragen, 4 mei 2011, voorafgaand aan de minuut stilte, of erachteraan, een Journaalmomentje meepakken, noemt men dat.
DAMSCHREEUWER REVISITED
.
Het is ieder jaar hetzelfde: de kinderen
verzamelen zich om zes uur voor een stille tocht
van het Museumplein naar de Dam, voor ieder jaar
dat het voorbij is één, langs het Sinti en Roma
monument, de vrouwen van Ravensbrück, de gevallen
hoornblazer op het Weteringcircuit, door de Vijzelstraat,
het Rokin, waar ze dan, aangekomen op de Dam, bij de Naald
in rijen worden opgesteld. Dat gaat ieder jaar hetzelfde.
Vijfenzestig kinderen al. En ieder jaar één meer.
Deze keer afkomstig van een school uit Zeeburg,
Amsterdam-Oost. Als een symbool van hoop, onschuld, troost.
.
Kwart voor acht: ze lopen mee in het officiële defilé
van hoogwaardigheidsbekleders met hun kransen, ook zij
leggen er straks voorzichtig en verlegen hun eigen bloemstuk bij.
Dat hebben ze van de scouts gekregen.
.
Ze stoten elkaar giechelend aan. ‘Daar gaat de Koningin.’
Fluisterend: ‘Maxima! Maxima!’ Dan is het tijd. Juf wijst op
haar lippen, dan wordt het stil. De plechtigheid gaat beginnen.
In de verte hoor je iemand schreeuwen.
.
De Koningin wordt haastig weggetrokken, hoe
ze allemaal gaan hollen, weg van hier, een hek valt om.
De kinderen kijken elkaar aan, fronsen hun wenkbrauwen
blijven rustig staan en vinden grote mensen dom.
.
.
Ondertussen waren er meer plannen in de week gezet. Mijn eerste buit haalde ik binnen bij de OBA: nadat ik was gevraagd stadsdichter te worden, bracht ik een bezoek aan Sabine Gieben, de weduwe Jaeggi, zeg maar, die erover sprak dat er nog altijd geen gedicht van Adriaan in de OBA te vinden is, terwijl Stitou en Anker wel op de muur vereeuwigd werden. Dat leek me nu typisch iets dat ik wel even kon regelen, als de nieuwe stadsdichter. Een paar weken later kwam het verlossende bericht van de OBA terug: ja, bij de volgende ronde zou deze omissie worden goedgemaakt. En de volgende ronde houdt in, dat er meteen een Starik op de muur wordt bijgeplaatst. Een uur later volgde het verzoek een gelegenheidsgedicht voor het zoveeljarig bestaan van werf ‘t Kromhout te schrijven. Dat gedicht levert 400,- op. Het wordt op 7 juli, in het kader van Sail, bij een tentoonstelling in de OBA gepresenteerd.
KROMHOUT
.
De geur van teer, want dat moet met planken, teren
voor je die te water laat, nadat in vorm gebogen, enerzijds
verhit, gedroogd en anderzijds gekoeld en natgehouden.
In vorm getrokken, met geduld en mededogen samengebracht
.
tot wat wij als boot, schip, schuit of jacht herkennen. Vaartuig.
Leuk gesmeed. Getimmerd en gelast. Gecarboleumd door zwijgzame
mannen met een kolenschop op de plek van hun hand, noem maar op.
Historie weetjewel, geschiedenis van hoe het vroeger was.
.
Nacht. Hier zit ik en schrijf dit met mijn weke plakhandjes omdat
vanmorgen voor ik uitvoer in mijn grachtensloep ik eerst mijn haar
met gel behandeld heb – geheel uit polyester opgetrokken veeg
.
ik, man van inkt, mijn handen af aan mooi schoon plastic.
Nergens troep. Niks stinkt. Deodorant. Nostalgie van het verdwenen
ambacht, de geur van teer. Er zijn geen echte kerels meer.
.
.
Veel eerder al vergaderden we met de Uitmarkt, en kwamen overeen dat ik op zondag 29 augustus in de Spiegeltent op het Museumplein een uitstekend time-slot zou krijgen, tussen 15 & 16 uur, er zal een gedicht in de programmakrant komen, gratis verspreid onder alle bezoekers van het evenement, en dat speciale gedicht zal ik op een ander moment, gedurende de Uitmarkt, ook nog twee keer op een van de Hoofdpodia mogen uitspreken, wie weet, tijdens het avondprogramma op de teevee. Ook dat gedicht is al klaar. Uitmarkt.
UITMARKT
.
Terug van vakantie. Uitgerust, noemen ze dat.
We gaan er weer voor. We moeten er weer tegenaan,
programmaboekje, uitgaansladder, kleitablet. Een nieuw
seizoen, want ieder seizoen is alles weer nieuw. Dat is een wet.
.
Tromgeroffel. Hooggeëerd publiek! U wordt weer verwacht
door duizend artiesten, in theaters, in hallen en zaaltjes,
voorstelling hier, uitvoering daar, en alle schrijvers hebben hun
nieuwe boek af. Dansers hun ding, componisten hun opera,
.
en ook de ziekenhuisclown is er weer met nieuwe kwaaltjes.
Alles komt naar je toe. Alles stoot op je af. Een nieuw seizoen
en je bent nu al moe, je moet nog zoveel genieten en morgen al
.
zal het september zijn. Steeds meer te doen, steeds korter de dag.
Het zal weer langdurig gaan regenen. Donker, koud en nat. Ocharme,
kom dan bij ons en laat je van binnen verwarmen. Wij kunnen dat.
.
.
Jasper bedacht dat er op het geveldoek dat het Rijksmuseum bekleedt, wel heel groot een hoopvol gedicht zou mogen prijken. Ook dat gedicht werd al geschreven. Nu zie ik, dat de steigers worden afgebroken, dus dat zal tijdens de Uitmarkt wel gelukt zijn: er komt een schitterend opgeknapt Museum achter vandaan. Hoogstwaarschijnlijk verspilde moeite dus. En jawel, even later komt het bericht binnen dat Wim Pijbes de komende tijd vooral aandacht wil besteden aan de tentoonstellingen die wel gerealiseerd worden, in plaats van nog maar eens de aandacht gevestigd op het feit, fat het overgrote deel van het Museum gesloten is. Over naar plan B: het Stedelijk.
Naar aanleiding van mijn benoeming werd ik diezelfde week benaderd door Vivienne Ypma, directeur van de Kleine Komedie, alsmede prominent lid van de Amsterdamsche Kring, of ik, gezien mijn benoeming, een taakje van Hans Sibbel, beter gekend als de wederhelft van Lebbis en Jansen, wilde overnemen. Hij was gevallen of had griep. Een diner, donderdag 27 mei, bezocht door 160 vooraanstaanden, een bijna geheim genootschap notabelen, direct na de oorlog ontstaan om de stad efficiënt en met elkaar weer op te bouwen, tegenwoordig bestaande uit een curieus mengsel van hooggeplaatste ambtenaren, bonzen uit de cultuursector, bedrijfsleven, het organisatie- en advieswezen. Die donderdagavond mocht ik aan het diner zitten, in ruil voor een kort optreden aan het eind, als er een zestal plannen zouden zijn besproken, met Felix Rottenberg als presentator, wethouder en waarnemend burgemeester Lodewijk Asscher, cultuurwethouder Carolien Gehrels, die me prompt uitnodigde om het Stedelijk Museum eens te bezoeken, wat mij heel goed uitkwam, omdat het Rijksmuseum van Wim Pijbes ondertussen al was afgevallen. Gehrels stopte me een kaartje toe, van het Kabinet Burgemeester, een plaatsvervangend chef. Ik stuurde hem een mail met het beoogde gedicht erbij.
MUSEUM
.
Alles komt goed. Tijd gaat voorbij met een vloek
en een zucht. Wat nieuw is zal oud zijn. Waar je
naar zocht raakt toch zoek. Wat dicht leek kan open.
.
Donker bleek licht. Blijf hopen. Alles komt terug.
Wat hier achter zit. Verborgen. Onder dit doek.
Een gereinigde gevel. Lege zalen vol bouwstof.
Een man die met zijn vinger de tijd wegpoetst.
.
Aanwezig. Afwezig. Alsof. Zucht en vervloek.
Wat we bewaren bestond al. Alleen jouw ogen
nog niet. Gesloten. Laten we doen alsof je wat ziet.
.
Leef in vertrouwen. Wat oud was zal nieuw zijn.
Blijf bouwen. Alles wat zoek lijkt komt terug. Straks
valt het doek. Echt. Tijd gaat zo vlug. Alles komt goed.
Alles komt terug. Alleen jij niet. Kijk dus. Ga open.
.
.
Ik moest die avond van de Amsterdamsche Kring besluiten met een ter plekke samengesteld gedicht, van mijn indrukken ter plaatse, zag daar op het laatste moment vanaf. Er werd al geruime tijd geen aandacht aan de sprekers meer besteed, het duurde allemaal weer veel te lang, en ik besloot mij te beperken tot het uitspreken van het gedicht dat ik ten behoeve van mijn journaalmomentje op 4 mei 2011 schreef, niet nadat ik het verzamelde gezelschap van het Ballonbardement op de hoogte had gesteld, leek me wel belangrijk om te weten, voor de waarnemend burgemeester. De volgende dag vroeg Vivienne Ypma me het gedicht voor de Amsterdamsche Kring alsnog te schrijven.
Amsterdamsche Kring
.
Ik mag graag ‘een reusachtig gericht
van Belangrijke Mannen’ prevelen en daarmee
had ik niets teveel gezegd, al telde ik ook vijf, zes
dames mee. Tegenover mij zat er al één.
.
Goed geconserveerd gebleven, noemt men dat.
Lange tafels, brave plannen. Moest ik kiezen nu, tussen
wal en schip, kindermuziek, denkkracht, ondersteuning,
expats, tussen verscheidenheid en verbondenheid, zou
.
ik een blind date aandurven met die meneer daar
verderop aan een andere tafel gezeten, met die vreemd
platte oren, scheef aan zijn hoofd gezet? Of toch maar liever
op ambachtelijke wijze kunst gekeken? Iemand wees
.
op het heerlijke uitzicht buiten, over het IJ, mijn blik
bleef haken bij een blauw bord met een hoofdletter P.
‘Alleen in de vakken’ stond er bij die P geschreven. Altijd
binnen de lijntjes kleuren. Er kan mij niets gebeuren.
.
© F. Starik, Hotel de Goudfazant, 27 mei 2010
.
.
Al bij de eerste presentatie in Het Parool schoof ik het Ballonbardement, bij wijze van visueel gedicht, prominent naar voren, als pièce de resistance van mijn ambtstermijn als stadsdichter, er nu even van uitgaand dat de Koningin zo netjes zal zijn om af te treden binnen die termijn. Dit plan bestond al, ik heb er zelfs subsidie voor gekregen, al heb ik het plan sinds die aanslag in Apeldoorn en de paniek om de Damschreeuwer in Amsterdam, drastisch moeten bijstellen, waardoor alle eerdere werk hieraan grotendeels nutteloos werd verricht: in eerste instantie was het plan een Blombardement uit te laten voeren: zware legerhelikopters zouden grote hoeveelheden bloemen over de Dam uitstrooien tijdens de zwaaiscène op het bordes van het Koninklijk Paleis. Er werd een officiële Stichting opgericht. Een website gebouwd, met een ingewikkeld betaalsysteem, www.amsterdamsgeschenk.nl, die is nog in de lucht. Maar volledig op de bloemen gebaseerd. Dat moet over. En anders worden, gebaseerd op de nieuwe situatie.
Dat van die bloemen lijkt nu ondenkbaar geworden. Helemaal omdat al snel duidelijk werd dat het luchtruim hermetisch gesloten is tijdens zulke evenementen. Maar voor die incidenten dacht ik: we komen er wel doorheen. Ik sprak Cohen erover, zelfs Hirsch Ballin, die ik toevallig bij een optreden tegenkwam, die allebei tenminste vonden dat het plan misschien niet helemaal ondenkbaar hoefde te zijn. Tot het Comité van Aanbeveling van de ‘Stichting Koninklijk Geschenk Amsterdamse Bevolking’ trad een hooggeplaatste marine-officier toe, Peter van Maurik, die zich bereid verklaarde het idee vast in te laten weken bij andere hooggeplaatsten: vloog de marine zelf, dan was dat al een stuk minder risicovol dan wanneer je particulieren met (off-shore-) helikopters het werk liet verrichten. Het leek me een interessante oefening in democratie. Als de bevolking dit leuk vindt, waarom zou het dan niet kunnen, cq mogen? Na de rookbommen (’68) en de krakersrellen (’80) nu een ludieke, ogenschijnlijk vriendelijker variant, een geschenk, symboliserende de gespannen verhouding van republiek Amsterdam met het Koningshuis. Hier wordt, heel handig, in het eerste stadsgedicht al naar verwezen.
Ik gebruik mijn vermeende aankomst in Amsterdam op 30 april 1980 in de mythevorming rond het product Starik, en dus ook in het verhaal rond het Blombardement, dat nu een Ballonbardement is geworden. Het werkt als volgt: voor een euro koop je een ballon, met lucht gevuld, eventueel met een touwtje en kaartje eraan met ruimte voor een persoonlijke boodschap aan de Koningin. De kleur van de ballon naar keuze zwart (tegen) of oranje (voor). Op het moment suprême rijzen er een aantal hoogwerkers uit de massa omhoog en laten de ballonnen los tussen het publiek, dat met de voeten vuurwerk kan maken door de ballonnen te laten knappen. Het beeld van die ballonnen, oranje en zwart, dwarrelend over de Dam, geeft een visueel referendum van hoe ‘wij’ over het Koningshuis denken. Althans van hen die de moeite namen te sms-en: oranje. Stickertje in de stad roepen op: sms zwart naar. ‘Zal wel van een anarchistische actiegroep wezen.’ Daar zul je de Oranjeverenigingen hebben, met hun oproep om de Dam toch vooral oranje te doen kleuren, die dag.
Het huidige betaalsysteem (GeefGratis, een speciale goede-doelen-stichting die gelden int voor aangeslotenen en vooral ook voor zichzelf, zo tussen de 10 en 15 %, het geld komt binnen op de ‘gewone, zakelijke’ girorekening van de Stichting, geen mooi gironummer, dat kregen we niet: 4113085) wordt vervangen door een snellere en simpeler SMS-dienst: betalen per telefoon. De bedrijven die dergelijke diensten aanbieden pakken maar liefst 50 tot 60% van de inleg, daar staat tegenover dat een sms volstaat en de mensen vinden sms-en leuk. Denk ik. En een ballon kost 18 cent, een bloem is duurder. Het zal een tamelijk basic, uiterst toegankelijke en overzichtelijke site worden, er hoeft veel minder op te staan dan de mogelijkheden die de site nu allemaal geeft.
Van het oorspronkelijke subsidiebedrag is besteed: de Stichtingskosten bedroegen € 1000,-, het diner, aangericht ten boeve van Het Bestuur en het Comité van aanbeveling bedroeg 500,- dat is iets minder dan begroot, aan de huidige site en de voorbereidende werkzaamheden besteedde ik ruim 4.500,- aan de websitebouwer – wat dus allemaal over moet. De nieuwe site gaat ruim tweeduizend kosten. Ik heb nog geen echt overzicht op het kostentechnisch verder verloopt, maar ik ga ervan uit dat ik aan de verleende subsidie voldoende heb om, wanneer het moment daar is, het voorstel doeltreffend in gang te zetten. Het stadsdichterschap komt in dat opzicht heel goed uit: het verschaft me gemakkelijker toegang tot ‘de media’ en hooggeplaatsten in de gemeente, wellicht is er geen bidbook meer nodig, kunnen ook andere posten vervallen die voor het oorspronkelijke plan noodzakelijk waren.
Het Comité van Aanbeveling bestaat nu uit: marineman Peter van Maurik (vervalt) oud-commissaris van politie Joop van Riessen, schrijver Joost Zwagerman, zanger Dries Roelvink, filmer Eddy Terstall.
Dinsdag, 1 juni 2010. Ik word gebeld door het programma ‘Van Zuks Dus’, RTV-NH, of ik ter gelegenheid van het afscheid van de strippenkaart op donderdag 3 juli een gedicht wil schrijven. En of ik dat gedicht dan, bijvoorbeeld in een bus gezeten, aan de kijkers wil voorlezen. Een uur later heb ik dit. Ik bied het in een moeite door aan Het Parool aan. Met die bemerking, dat ik het ding alleen gepubliceerd wil zien als dat op de voorpagina kan – anders zou het zo snel na het vorige gedicht een devaluatie inhouden.
STRIPPENKAART
.
Het is officieel nu. Het is tenslotte dan toch gebeurd.
Vandaag ben ik opeens van blauw naar roze verschoten.
Het is gedaan met mij. Ik ben voorbij. Een bejaarde die,
met de ov-kaart in zijn hand, die beeft, de bus betreedt.
.
Neem plaats, ouwe. Hou vast die kaart. Daar ga je dan
op reis, met je vervoersbewijs in de blote hand gevouwen,
en laat niet los tot je bestemming is bereikt. Daar check
je uit. Check. Dubbelcheck. Je mag eruit. Ontspan.
.
© F. Starik, bij het afscheid van de strippenkaart, donderdag 3 juni 2010.
.
.
Op woensdag 2 juni vergader ik met Ronald Ockhuysen, chef kunst en media van Het Parool en ontwerper Melle Hammer over de mogelijke uitgave van een eenmalige stadsdichterskrant, meereizend met de krant, opdat zo rond de Uitmarkt die Starik echt onontkoombaar aanwezig gaat zijn. Met zijn programma in de Spiegeltent, zijn gedicht in het programma, een gedicht heel groot op een Museum. Programma in de Spiegeltent: Maarten Van Roozendaal zet een gedicht van Starik op muziek, Starik zelf wordt begeleid door Wilmar de Visser op contrabas, zal bovendien een stukje uit ‘de Gastspeler’ voorlezen, Jos Versteegen draagt een gedicht voor over de boom van Anne Frank, Paul Prenen (piano) en Tjamke Roelofs (zang) vertolken een gedicht van Versteegen dat ze op muziek hebben gezet, en Starik heeft dan weer een gedicht dat daarop aansluit…Jasper Henderson presenteert, van de vorige stadsdichter Mustafa Stitou wordt afscheid genomen met een gedicht en een korte toespraak van Roeland Rengelink, wethouder Cultuur stadsdeel Centrum, die de zegeningen van het stadsdichterschap zal bezingen. We hebben een uur. Ik zet een draaiboekje in elkaar.
donderdag 3 juni 2010. Strippenkaart, voor RTV-NH geschreven, succesvol doorgeplaatst naar www.amsterdam.nl en www.gvb.nl, op pagina 13 in Het Parool, en hedenochtend in alle vroegte de persconferentie van het GVB opgeluisterd met het uitspreken van het gedicht, daarna RTV-NH op bezoek. Lollig itemje in ‘Van Zuks Dus.’ We filmen in de tram en worden er prompt uitgegooid, want filmen mag niet in de tram, proberen dan buslijn zestig, waar de chauffeur met de hand over zijn hart strijkt. Gisterenochtend dus met Ronald Ockhuysen overlegd, Parool, en Melle Hammer, over de stadsdichterskrant. Dat gaat door. Acht pagina’s, in Het Parool gevouwen. Nu nog even geld vinden. Vanaf september krijg ik bovendien een wekelijkse pagina in de kunstbijlage, ism Melle Hammer. Een beeld/tekstpagina. Veertig afleveringen, met optie op verlenging.
‘s Middags, bij boekpresentatie Ron Rijghard, ‘Ik deug alleen voor de poëzie’ -interviews met dichters- tref ik een bezorgde Raymond van den Boogaard, chef Kunst NRC. Week na week is hij opgelucht dat er überhaupt nog een CS verschijnt. Naar het zich laat aanzien, zal het voetbalstuk dan mijn laatste bijdrage aan het NRC zijn. Wat dan wel weer handig is, is dat ik door de SLAA ben uitgenodigd om voor 20 juni in De Tolhuistuin, waar een aantal dichters voorafgaand aan de wedstrijd Brazilië-Kameroen, verondersteld wordt hun liefde voor Koning Voetbal te belijden, een voetbalgedicht te schrijven, een gedicht dat ik eenvoudig als prozaminiatuurtje uit mijn krantenstuk til. En onder het krantenstuk vind je dan weer een verwijzing naar dat evenementje. ‘Move the product!’ om met Bril te spreken.
.
Alle jongens van het Amsterdamse team kregen een wit t-shirt van de Zeeman aan waarop met dikke cijfers stond geschreven: 14. Alle acht. Opdat de scheidsrechter niet goed kon zien wie die doodschop nu precies had uitgedeeld. In de eerste ronde won Den Haag van Amsterdam, maar dat telt niet, niet echt. Er waren voetballers bij van wie werd gezegd dat ze nooit een behoorlijk gedicht hadden geschreven.
.
Groningen, daarentegen, ging kansloos tenonder tegen een sterk aanvallend Amsterdam. Mocht ook wel, want Groningen was maar met drie man komen opdagen. Een stond er straalbezopen op doel. Als er gescoord dreigde te worden, trok hij eenvoudig het gehele doel over zich heen en viel daarbij om, maar viel te laat. Amsterdam won met het getal dat op het shirt geschreven stond.
.
Op de terugweg naar het Noorden, zo gaat het verhaal, kotste de doelman door het geopende raam van de auto recht in het gelaat van de slapende spits op de achterbank, die verontwaardigd mompelde: ‘Dat is toch geen manier om iemand wakker te maken.’ Scoorde alsnog, maar nu verbaal, zoals het hoort, met woorden.
.
.
Op die borrel kom ik ondertussen Ockhuysen weer tegen alsmede Barbara van Beukering, de hoofdredacteur van Het Parool, die vertelt heel blij te met mij: dat ik in dat interview vertelde dat de functie natuurlijk niets voorstelt, maar dat ik er toch wat van ga maken: ‘that’s the spirit!’ juicht ze. Die combinatie van bravoure en bescheidenheid – een eigenschap die Tineke Reijnders ook al toejuicht in een groot stuk over de kunstenaar Starik, dat binnenkort in Ons Erfdeel verschijnt. Niet vergeten: een gedicht schrijven voor de prijsuitreiking van de Amsterdam-Prijs. Ik schrijf een aanvraag voor het AFK om de ontwerper van de stadsdichterskrant te betalen en stel in één moeite door voor om aldaar, als vorige winnaar, een voordracht te houden. Het wordt in eerste instantie een fictief verslag van de juryvergadering, voor te lezen op 26 augustus, in Muziq, in Amsterdam Oost.
ALTIJD PRIJS
.
Voorzitter opent de vergadering.
We lopen even alle kandidaten door
en dan kijken we wie over is. Pas daarna
wil ik vingers zien. Wie tegen is, wie voor.
.
Erik Kessels. Ben. Lauw bier. Iemand? Ach wat. Het blijft toch een reclameman.
Die heeft geld zat. Capella dan. Daar zijn er meer dan twintig van.
Hou je nog niks over per stuk, per man. Yasmine Allas? In ieder geval
een vrouw, en bovendien afkomstig uit een ver land. Dat laatste boek
.
werd anders niet zo best besproken. Dat is juist leuk, de prijs
als een protest daartegen. Iemand dat boek eigenlijk gelezen?
We leggen haar nog even weg. We moeten door. Mediamatic misschien?
‘El Hema’ klinkt ook lekker multicultureel en ze doen het al heel lang,
.
en ze doen ook echt heel veel. Mag ik dan toch vast vingers zien?
Uitstekend. Dat is er één en unaniem. Alex dan, van Warmerdam?
Een grote naam, maar die won onlangs al een ton – steken wij daar
met die vijfendertig toch wat bleek bij af. Dat is geen prijs, dat is een fooi.
.
Pieter Janssen, die zich Parra noemt, maar wie kent die man? Al vervagen
in zijn handen alle grenzen: je moet ook aan de mensen denken. Mooi.
Hij is nog jong, genomineerd is ook een eer. Komt nog wel een keer.
.
Krisztina de Châtel. Natuurlijk! Die kunnen we niet overslaan, na
vierendertig jaar van keihard dansen, ja, dan moet je wel – okee
da’s nummer twee. Nog eentje dan. Wat hebben we? Moderne media,
choreograaf. Eén vrouw, één man. Allas dan maar, of toch Van Warmerdam?
.
Ik rust mijn kaas. En weeg uw kansen.
.
.
Ik leg het ding aan Jasper voor, die na ampele overweging meent, dat we geen idee hebben van het gevoel van humor van de kandidaten: Alex van Warmerdam zal er vast om kunnen lachen, maar de overige kandidaten kennnen we niet goed genoeg om dat te weten. Niet doen dus. Ik schrijf in plaats hiervan een toespraakje, dat ik hier nog niet ga prijsgeven. Sommige dingen mogen een verrassing blijven.
Dan is het tijd om het gedicht dat ik voor Sail schreef, en waarmee ik hoop de publieksingang te markeren, eens in gang te zetten. Ik zet Jasper aan het werk om de juiste marketinglui te vinden. Een gedicht in de vorm van drie zeilen.
SAIL
.
Zeil
vrienden,
ga met de wind.
Richt je gezicht naar
de zon. Denk aan verre
landen. Begin. Vaar uit en
.
Vergeet
de stad, waar
je begon, graaf
niet in de modder,
reis niet door tunnels
van Noord naar Zuid. Ga
.
Dwars
er tegen
in. Waai weg
langs de kade, loop
over water. Ga west. Zeil
scherp op de wind. Denk je in.
.
.
Jasper neemt kontakt op met de Sail-organisatie, maar het is al te laat om nog iets met doeken te doen. Het budget is op, de projecten zijn aanbesteed, er zal wel helemaal niks van terecht komen.
16 juni 2010.
We brengen een bezoek aan de Stopera: Jasper Henderson begeleidt me, we treffen stadsdeelwethouder Cultuur Roeland Rengelink, een politiek assistent, Denise Jutphans van des stadsdeels PR-afdeling, en nog een meneer, Rini Scheffers, wiens naam ik telkens neig te vergeten. Plannen vliegen over de tafel: de stadsdichter op de middenstip van de Arena, dit jaar wordt Ajax kampioen. De derde ster. De Amsterdamse grachtengordel wordt toegevoegd aan de Werelderfgoedlijst van de UNESCO, ook daarvoor ligt een verzoek tot een gedicht. Jasper suggereert iets met het VVV te doen, dat tegenwoordig ATCB heet of zoiets: een welkomstgedicht voor toeristen die de stad bezoeken. Dan is er nog iets met ‘de vrijwilliger van het jaar’ van stadsdeel Centrum, moeilijk, moet ik over nadenken.
23 juni 2010. Eberhard van der Laan wordt de nieuwe burgemeester van Amsterdam, zo wordt bekend gemaakt. Diezelfde avond schrijf ik dit gedicht, en werk het de ochtend erop volgend uit. Bied het aan aan Het Parool, voor nu of 7 juli, de datum van de installatie.
OPDRACHT
.
Dit is je stad. Je krijgt er een huis aan een gracht
een voorlichtingsmedewerker, een rechterhand,
een chef de kabinet, iemand die je agenda bijhoudt
en je toespraken schrijft, zeven bevallige meisjes
.
om die ambtswoning schoon te houden. Een politiek
assistent, iemand voor de catering, die kookt precies
wat je van huis uit bent gewend, daar heb je allemaal
recht op, denk je, als eerste burger van je stad.
.
Omringd door slimme, rijke, witte, nette mensen.
Denk dan nog eens aan mij, driehoog op mijn galerij,
doodziek, in die gehorige flat in Slotervaart, waar de hond
.
van buurman boven onafgebroken blaft, en buurvrouw
van drie huizen verderop luidruchtig wordt genomen,
altijd door iemand anders, nooit door mij: blijf me bij.
.
.
Het staat meteen de volgende dag in Het Parool, op pagina 3, in twee stukken gehakt, cursief gezet, tamelijk onooglijk. Dat is jammer. Zo missen we een ambtswoningmoment. Zou Van der Laan graag ontmoeten, omdat we met Stichting de Eenzame Uitvaart graag de burgemeester als beschermheer hebben. Nu zitten we nog met oud-burgemeester Cohen. Ondertussen, bij een diner met maar liefst 375 creatieven in pakhuis De Zwijger, onder het motto ‘Meet the creatives’, ontmoet ik een mevrouw van het Amsterdams Fonds voor de Kunst, die verklaart dat het geld voor de Stadsdichterskrant er wel gaat komen. Ondertussen maak ik ook het metrogedicht, dat ik graag in een metrostation zag aangebracht – daar moet ook maar eens over onderhandeld worden. Een klein, achtregelig versje, dat de gehaaste reiziger een glimlach om de mond moet leggen. Ik mail mijn oude vriend Cor Vos daarover, die weet de weg in vervoersland.
METRO
.
Als de stad een lichaam is,
de huizen -huid en haar- hun botten
in de aarde steken, wij als bloedlichaampjes,
bleke, door haar aders stromen
.
door reusachtig opengesperde monden
binnengaan, weer boven komen, dan
had dat lijf een hartprobleem
en legden wij een bypass aan.
.
.
Maandag 5 juli 2010. Ochtendlijke vergadering met Jasper Henderson en Melle Hammer. De stadsdichterskrant wordt virtueel in elkaar gezet. We wegen de mogelijkheden en kansen. Een spread met een tekening van Jan Rothuizen, de officiële stadsdichtersfoto van Michiel van Nieuwkerk, een interview met de stadsdichter, een overzicht van de eerdere stadsdichters, agenda, programma, plannen: het wordt goed. Op dinsdag 6 juli neem ik uit handen van Nico Keuning van uitgeverij Reservaat mijn nieuwe boekje ‘De humor van het theezakje’ in ontvangst, een bundel stukken die eerder in kranten en tijdschriften verschenen, mooi geworden, fijn. Voorlopig doen we er even niets mee: Keuning gaat een maand vakantie vieren, eind augustus wordt het ding pas verzonden en gaan we aan een presentatie denken.
Woensdag 7 juli: de installatie van Eberhard van der Laan als nieuwe burgemeester. Ik ben uitgenodigd om mijn gedicht te komen voorlezen ten stadhuize. Krijg een fijn katheder, een goede microfoon, Van der Laan reageert enthousiast. Hij had het gedicht al in de krant gelezen. En ‘s middags, in de raad, had hij al enthousiasmerend over de eenzame uitvaart gesproken, als een van die dingen die een stad zijn fatsoen geven. We kletsen wat, hij verklaart zich gaarne bereid de rol van Beschermheer van Cohen over te nemen. Dan moet ik verder racen naar de OBA, waar het Kromhoutgedicht dient te worden voorgelezen. Ik ben te laat, maar kan op het laatste nippertje toch nog mijn gedicht reciteren, waarna het Weesper Trekvaart Mannenkoor het van mij overneemt, ik het boekje Zeeën van tijd krijg uitgereikt, waar tot mijn verbazing niet het Kromhoutvers, maar het Sail-gedicht in staat afgedrukt. De volgende dag besteedt de rubriek Schuim in het Parool uitgebreid aandacht aan de verschijning van de stadsdichter en de bemerking in zijn vers ‘Er zijn geen echte kerels meer.’ Een paar dagen eerder vond ik mij in dezelfde rubriek terug vanwege de dichtersmarathon in de Tolhuistuin, op zondag 4 juli. Door naar Utrecht, waar The National in Tivoli speelt.
Donderdag 8 juli: optreden in de Roode Bioscoop, met Sven Ariaans en Felix Strategier. Maandag 12 juli komt Jan Rothuizen op bezoek om zich op zijn tekening te oriënteren, in mijn ‘cockpit van de poëzie’ zoals hij dat noemt. Des Middags overleg met Hammer en Ockhuysen over de stadsdichterskrant. We maken vorderingen. ‘s Avonds gaat in Paradiso het dak eraf bij een optreden van PiL, dat we met een paar vrienden bezoeken. We dansen hard. De volgende ochtend hetzelfde overleg nog eens met het AFK. Sylvia Dornseiffer komt kennismaken. ‘s Avonds een man, ‘s ochtends een man. We doen goede zaken. Ik stel voor het Sailgedicht dan maar vanuit Pakhuis de Zwijger over het IJ te doen schallen, niveau popconcert, niet schreeuwerig, maar gewoon oerend hard. Ook die mogelijkheid wordt nog bekeken. Dan vertrek ik enkele dagen naar Dour, België, popfestival.
Bij terugkeer dient er gedineerd te worden over een mogelijke tentoonstelling over de dood, de dood, de eeuwig terugkerende dood. Inmiddels is er een eenzame uitvaart aangemeld, nummer 115. Ik schrijf het gedicht zelf. Donderdagochtend 22 juli wordt een onbekende man begraven, gevonden in de Nieuwe Vaart. Vrijdag 23 juli word ik verwacht bij woningbouwvereniging Ymere, voor wie ik een gedicht moet schrijven over een historisch hofje aan de Tuinstraat, dat bewoond wordt door armlastige, oudere, katholieke vrouwen ‘van onbesproken gedrag.’ Dat gedicht moet 23 september klaar zijn en uitgesproken worden in De Bazel, het Stadsarchief, waarna het in de archieven verdwijnt. Vrijdag 30 juli wordt er opgetreden op het Prinsentuinfestival in Groningen, zaterdag 31 juli op het Tuinfeest in Deventer. Woensdag 4 augustus vertrek ik met mijn zoon voor een week naar Glasgow. Dat heet vakantie.
En dan vergeet ik nog het gedicht voor het uitroepen van de grachtengordel van Amsterdam tot Werelderfgoed. 23 augustus. Dat wordt dan dagboek nummer drie.
+
